Maria en Jozef

Maria en Jozef: Het Kruis als Geestelijk Criterium van Onderscheiding

Hoe het verborgen leven van Maria en de trouw van Jozef richtsnoeren bieden voor gehoorzaamheid, innerlijk gezag en kerkelijk verstaan.

Pastoor J. Geudens

Inleiding

In het huidige synodale proces van de Kerk bestaat het risico dat onderscheiding wordt herleid tot methodiek, overlegstructuren en consensusvorming. Dit artikel betoogt dat ware synodaliteit slechts kan worden begrepen vanuit een dieper, geestelijk criterium: het innerlijk gezag dat ontspringt aan gehoorzaamheid onder het teken van het Kruis. Tegen deze achtergrond worden het verborgen leven van Maria en de bewakende dienstbaarheid van de heilige Jozef theologisch onderzocht als normatieve gestalten van ecclesiale onderscheiding. In expliciete dialoog met Lumen Gentium, en met gebruikmaking van de Josephologie en het mystieke getuigenis van de heilige Maria van Ágreda, wordt aangetoond dat Maria en Jozef niet slechts exemplarisch, maar criteriologisch functioneren voor de synodale weg van de Kerk.

Synodaliteit behoort terecht tot de kernbegrippen van de hedendaagse kerkelijke heroriëntatie. Luisteren, participatie en gezamenlijke verantwoordelijkheid corrigeren een eenzijdig hiërarchisch of functioneel kerkbeeld. Toch blijft de synodale praktijk theologisch kwetsbaar zolang het criterium van onderscheiding onuitgesproken of vaag blijft. Waar een norm ontbreekt, dreigt synodaliteit te verschuiven van geestelijke onderscheiding naar louter procedurele besluitvorming.

Vanuit de centrale these dat synodaliteit slechts authentiek is wanneer zij wortelt in het innerlijk gezag van de Kerk, wordt duidelijk dat dit gezag niet voortkomt uit structuur, meerderheid of expertise, maar uit deelname aan de gehoorzaamheid van Christus zelf, geopenbaard onder het Kruis. In dat licht verkrijgen het verborgen leven van Maria en de bewakende dienstbaarheid van Jozef een nieuwe en theologisch noodzakelijke actualiteit. Jozef verschijnt daarbij niet als een zwijgende achtergrondfiguur, maar als bewaker van het ontvangen mysterie: een man van gehoorzaamheid en innerlijke standvastigheid, die door zelfontlediging en trouwe toewijding het heilsgeheim bewaart dat hem door God is toevertrouwd.

Methodische verduidelijking

Met criteriologisch wordt in dit artikel bedoeld dat een duidelijke maatstaf wordt gehanteerd om te onderscheiden of kerkelijk handelen werkelijk in overeenstemming is met het geloof dat de Kerk ontvangen heeft. Deze maatstaf is hier het Kruis van Christus, waaraan zichtbaar wordt of keuzes en processen voortkomen uit gehoorzaamheid, nederigheid en trouw, dan wel uit louter menselijke overwegingen.

Met Kruis-criteriologie wordt vervolgens verstaan dat het Kruis van Christus fungeert als het beslissende normatieve criterium voor kerkelijke onderscheiding. Het Kruis onthult of gezag en synodaliteit hun innerlijke legitimiteit ontlenen aan zelfontlediging en gehoorzaamheid aan Gods handelen, of dat zij worden bepaald door menselijke logica, macht of efficiëntie.

1. Maria als innerlijke maatstaf van de Kerk

Het Tweede Vaticaans Concilie positioneert Maria niet als een devotionele toevoeging aan de ecclesiologie, maar als haar innerlijke maatstaf. In Lumen Gentium verschijnt Zij als de persoonlijke gestalte van de Kerk in haar meest radicale vorm: “getrouw haar vereniging met haar Zoon bewarend tot onder het Kruis” (LG 58). Deze passage is geen vrome beschrijving, maar bezit normatieve kracht.

Vanuit de Kruis-criteriologie wordt dit verdiept: het gezag van de Kerk is niet primair juridisch of sociologisch, maar innerlijk — ontleend aan deelname aan de gehoorzaamheid van de Gekruisigde. Waar deze vorm ontbreekt, verliest elk kerkelijk proces zijn geestelijke legitimiteit. Tegen deze achtergrond wordt Maria’s verborgen leven theologisch hoog relevant.

2. Maria’s verborgen leven en het toenemen in genade

Hoewel Maria vanaf haar Onbevlekte Ontvangenis “vol van genade” is (vgl. LG 56), spreekt de traditie — in analogie met Christus (vgl. Lc. 2,52) — over een toenemen in genade. Dit toenemen is geen kwantitatieve vermeerdering, maar een existentiële actualisering van een reeds volkomen geschonken volheid.

Hier raakt de mariologie aan een fundamentele genade-antropologie: genade overstijgt de tijd in haar oorsprong, maar werkt binnen de tijd in haar ontvouwing. Groei in genade betekent geen accumulatie, maar een steeds diepere doorlichting van het concrete bestaan door Gods initiatief. In Maria voltrekt deze groei zich zonder breuk, maar niet zonder intensivering. Haar leven vóór de Boodschap van de Engel Gabriël aan haar is geen passieve wachtkamer, maar een actieve, innerlijke voorbereiding — een voortdurend fiat dat haar steeds dieper inschakelt in Gods heilsplan.

3. De Onbevlekte Ontvangenis als begin van het bruidschap

Theologisch markeert de Onbevlekte Ontvangenis niet de voltooiing, maar het begin van Maria’s goddelijke bruidschap. Zij draagt haar bestemming reeds in zich, zonder de vorm ervan te kennen. Haar maagdelijkheid is daarom geen ascetische negatie, maar een positieve, eschatologisch gerichte openheid.

Deze visie sluit nauw aan bij Lumen Gentium 60–62, waar Maria’s unieke plaats volledig christologisch wordt gefundeerd. Haar rol doet “niets af aan de unieke middelaarsrol van Christus, maar toont haar kracht”. Haar leven is geheel met het oog op Christus ingericht — en juist daarin wordt Zij tot norm voor een Kerk die synodaal wil zijn.

4. Jozef: bewaker van het mysterie

Binnen een uitgewerkte Josephologie verschijnt Jozef niet als randfiguur, maar als custos mysterii. Zijn roeping bestaat niet in initiatief, maar in bescherming; niet in spreken, maar in gehoorzaam handelen. De Schrift tekent hem consequent als een man die handelt “zoals de engel des Heren hem bevolen had” (Mt. 1,24).

Jozefs gezag is zuiver dienend. Hij bezit het mysterie niet, maar bewaart het. Daarmee belichaamt hij precies wat de Kruis-criteriologie aanduidt als waar gezag: gezag dat ontstaat door zelfontlediging en gehoorzaamheid, niet door controle of interpretatieve macht. Voor een synodale Kerk is dit fundamenteel: de Kerk is geen eigenaar van de Openbaring, maar haar hoedster.

5. Het getuigenis van Maria van Ágreda

Het mystieke werk La Mística Ciudad de Dios van de H. Maria van Ágreda biedt een contemplatieve verdieping van deze theologie. Zonder nieuwe leerstellingen te introduceren, beschrijft zij de innerlijke houding van Maria en Jozef met opvallende theologische consistentie.

Jozef verschijnt als een man van uitzonderlijke innerlijke zuiverheid, door God voorbereid om nabij Maria te leven zonder haar mysterie te schenden. Zijn liefde is volkomen ontledigd van toe-eigening; zijn autoriteit bestaat in zelfvergetelheid. Maria wordt getekend als levend in een voortdurende staat van innerlijk fiat, waarin elke ontvangen genade onmiddellijk wordt teruggegeven aan God.

Theologisch functioneert Ágreda hier niet als bron van openbaring, maar als mystiek getuige van een waarheid die reeds in Schrift en Traditie aanwezig is, in overeenstemming met de conciliaire mariologie.

6. Maria en Jozef als criterium van synodale onderscheiding

In het licht van het voorgaande functioneren Maria en Jozef niet slechts exemplarisch, maar criteriologisch. Zij tonen dat ware synodaliteit slechts mogelijk is wanneer:

  1. het initiatief bij God blijft,
  2. gehoorzaamheid voorafgaat aan overleg,
  3. het Kruis het beslissende interpretatiekader vormt.

Maria belichaamt het ontvangende en dragende aspect van de Kerk; Jozef het beschermende en bewakende. Samen vormen zij een ecclesiologisch icoon dat haaks staat op elke synodaliteit die zich losmaakt van het Kruis en van de objectieve gegevenheid van de Openbaring.

Slotbeschouwing

De synodale weg van de Kerk zal slechts vruchtbaar zijn wanneer zij zich laat toetsen aan het verborgen leven van Maria en de bewakende dienstbaarheid van Jozef. Hun levens maken duidelijk dat vernieuwing niet ontstaat uit structuur, maar uit heiligheid; niet uit debat, maar uit gehoorzaamheid; niet uit macht, maar uit trouw onder het Kruis.

Daarin ligt hun blijvende actualiteit. Zij zijn geen figuren van een afgesloten verleden, maar normatieve getuigen van hoe de Kerk ook vandaag haar weg kan gaan.

Eindnoten

Lumen Gentium

J. Geudens, Het innerlijk gezag van de Kerk onder het teken van het Kruis, onuitg. ms.

Th. van Aquino, Summa Theologiae I-II, q. 114, a. 8.

H. U. von Balthasar, Theo-Drama, III.

J. Ratzinger, Dienst aan de waarheid.

María de Jesús de Ágreda, La Mística Ciudad de Dios, ed. crítica, Madrid.

Congregatie voor de Geloofsleer, Normae de modo procedendi… (1978).

De katholieke Kerk, Godsdienstleer en Apologie. Onder redactie van Prof D. Bont en Dr. C.F. Pauwels O.P., N.V. Zonnewende Kortrijk / Het Spectrum Utrecht, Eerste deel, Boek 1-13, blz. 539-545.

Excurs X – Josephologie

(bewakende dienstbaarheid als criterium van kerkelijk gezag onder het Kruis)

De apostolische exhortatie Redemptoris Custos (15 augustus 1989) vormt het belangrijkste magisteriële document voor een hedendaagse Josephologie. In deze tekst wordt de heilige Jozef niet louter devotioneel benaderd, maar expliciet theologisch en ecclesiologisch gepositioneerd als bewaker van het heilsmysterie en dienaar van de menswording van het Woord.

Centraal staat Jozefs rechtvaardigheid, die niet juridisch, maar existentieel wordt verstaan: “Ioseph iustus est, quia plenarie se tradidit mysterio divino.” (RC 17)

Deze rechtvaardigheid bestaat niet in eigen initiatief of begrip, maar in gehoorzame beschikbaarheid. Jozefs roeping ontvouwt zich consequent langs de weg van het ontvangen woord en het uitvoeren ervan, vaak bemiddeld door dromen (vgl. RC 10–13). Het magisterium onderstreept dat Jozefs gehoorzaamheid geen passiviteit is, maar een actieve instemming met Gods handelen, zelfs wanneer dit handelen zijn menselijke verwachtingen doorkruist.

Redemptoris Custos benadrukt herhaaldelijk dat Jozefs vaderschap volledig dienend en beschermend is. Hij is vader zonder oorsprong te zijn, hoofd van het gezin zonder toe-eigening, beschermer zonder bezit. Zijn gezag wordt uitgeoefend door zelfontlediging, niet door beschikking (vgl. RC 21). Juist daarin wordt hij tot model van waar gezag in de Kerk.

Van bijzonder belang voor de synodale ecclesiologie is RC 8, waar Jozefs huwelijk met Maria wordt beschreven als een werkelijk en reëel huwelijk, dat echter geheel ten dienste staat van het mysterie van de menswording. Het huwelijk creëert een juridische, sociale en spirituele ruimte waarin Gods heilsplan zich kan voltrekken zonder verstoring. Jozefs roeping is daarmee intrinsiek verbonden met het bewaren van de verborgenheid van Gods handelen.

In RC 25 wordt Jozefs leven expliciet verbonden met het verborgen leven van Nazareth, dat door het magisterium wordt gepresenteerd als constitutief voor het heilsgebeuren. Deze verborgenheid is geen tekort, maar een theologisch teken: het heil groeit onder het teken van stilte, gehoorzaamheid en dienstbaarheid.

In het licht van de Kruis-criteriologie krijgt deze Josephologie een bijzondere scherpte. Jozefs gehoorzaamheid is een gehoorzaamheid zonder voorafgaande helderheid, verwant aan de gehoorzaamheid van Christus zelf (vgl. Fil. 2,8). Zijn leven staat volledig onder het teken van het Kruis avant la lettre: Hij verliest aanspraak, zekerheid en zichtbaarheid om het mysterie te bewaren dat Hem is toevertrouwd.

Daarmee functioneert Jozef in Redemptoris Custos niet alleen als voorbeeld van persoonlijke heiligheid, maar als criteriologische figuur voor kerkelijk handelen. De Kerk herkent in hem haar eigen roeping: niet het mysterie te beheren of te herdefiniëren, maar het in gehoorzaamheid te bewaken. In een synodale context betekent dit dat onderscheiding niet primair plaatsvindt door overlegstructuren, maar door trouw aan het ontvangen geloof, onder het teken van het Kruis.

Excurs Y – Episcopaal gezag

(bewarend en beschermend gezag in het licht van de Josephologie)

De Josephologie zoals ontwikkeld in Redemptoris Custos biedt niet alleen een spiritueel model, maar ook een canoniek-theologisch verhelderend paradigma voor het verstaan van episcopaal gezag binnen synodale processen. De figuur van de heilige Jozef als custos mysterii — bewaker van het mysterie van de Menswording — werpt licht op de wijze waarop het episcopaat zijn munus docendi en munus regendi behoort uit te oefenen.

a) Munus docendi: bewaren vóór interpreteren

Het bisschoppelijk leerambt (munus docendi) bestaat wezenlijk in het authentiek doorgeven van het depositum fidei, niet in het produceren van nieuwe inhoud of het legitimeren van meerderheidsopvattingen. Dit wordt conciliair bevestigd in Lumen Gentium 25, waar het leergezag wordt verstaan als dienst aan de geopenbaarde waarheid, uitgeoefend in gemeenschap met de gehele Kerk.

Jozef fungeert hier als criteriologisch model. Hij ontvangt het mysterie zonder het te verklaren, bewaart het zonder het te herformuleren, en handelt op basis van ontvangen openbaring zonder volledige cognitieve transparantie (vgl. Mt. 1–2). Zijn houding verheldert dat leergezag niet primair discursief is, maar fiducieel en gehoorzaam. In synodale processen betekent dit dat het episcopaat niet optreedt als moderator van meningen, maar als hermeneut van de ontvangen waarheid onder het teken van het Kruis.

Vanuit de Kruis-criteriologie wordt dit aangescherpt: het munus docendi bezit innerlijk gezag alleen daar waar het bereid is zichzelf te laten corrigeren door de vorm van het Kruis — zwijgen waar het Woord moet spreken, en weerstand bieden waar het mysterie dreigt te worden gereduceerd.

b) Munus regendi: bewakend en beschermend gezag

Ook het bestuurlijk gezag (munus regendi) krijgt vanuit de Josephologie een niet-functionele, maar theologisch-dienende interpretatie. Volgens Lumen Gentium 27 en het canoniek recht (Codex Iuris Canonici, can. 375–381) is het episcopaal bestuur geen louter organisatorische bevoegdheid, maar deelname aan het herderlijk ambt van Christus.

Jozefs roeping verduidelijkt de aard van dit bestuur: hij schept een beschermende ruimte waarin het heilsgeheim zich kan ontvouwen zonder bedreiging of vervorming. Zijn gezag is reëel, maar niet disposerend; effectief, maar niet zelfgericht. Hij bestuurt door zichzelf terug te nemen. Daarmee belichaamt hij een vorm van gezag die niet ordent om te beheersen, maar ordent om te bewaren.

In synodale context impliceert dit dat episcopaal bestuur niet kan worden herleid tot procesbegeleiding of beleidsimplementatie. De bisschop is geen manager van dynamieken, maar hoeder van de ecclesiale vorm waarin geloof, sacrament en zending intact blijven. Waar deze bewakende dimensie ontbreekt, verliest synodaliteit haar ecclesiale specificiteit.

c) Gezag onder het Kruis: criteriologische samenhang

Zowel het munus docendi als het munus regendi vinden hun eenheid in wat ik heb aangeduid als het innerlijk gezag van de Kerk onder het teken van het Kruis. Jozef belichaamt dit gezag avant la lettre: hij bezit geen woord in de Schrift, maar zijn gehoorzaamheid verleent vorm aan het heil zelf. Zijn leven toont dat gezag pas werkelijk gezag wordt wanneer het zichzelf verliest om het ontvangen mysterie te bewaren.

Daarmee functioneert Jozef niet enkel als voorbeeld, maar als normatief criterium voor episcopaal handelen in synodale processen. Zoals hij het Kind en zijn Moeder beschermt zonder zich tussen beiden en Gods handelen te plaatsen, zo wordt de bisschop geroepen om het geloof van de Kerk te bewaken zonder het te annexeren. In deze zin is Jozefs bewakende dienstbaarheid een canoniek-theologische sleutel tot een authentiek verstaan van synodaliteit.

Auteursprofiel

Jack Geudens is rooms-katholiek priester en beginnend schrijver, werkzaam op het snijvlak van spiritualiteit, pastorale theologie en christelijke antropologie. Zijn werk vertrekt vanuit een uitgesproken christelijk-holistische mensvisie, waarin lichaam en ziel, kwetsbaarheid en waardigheid, begin en voltooiing van het leven als één samenhangend geheel worden verstaan.

Een kernpunt in zijn denken is zijn bewuste positionering als pro-life priester, niet als politiek of ethisch standpunt, maar als consequentie van een christologisch gefundeerde antropologie. De waardigheid van het menselijk leven wortelt voor hem in Gods scheppend en verlossend handelen en staat onder het teken van het Kruis, dat fungeert als normatieve plaats van waarheid en onderscheiding.

Zijn theologie is wezenlijk mariologisch en paschaal: Maria verschijnt als model van ontvangen, bewaren en dragen van het leven, ook waar dit door lijden wordt getekend. Vanuit dit perspectief verbindt Geudens waarheid en barmhartigheid, schuld en genezing, zonder reductie of sentimentaliteit.

Pastoraal krijgt deze visie concreet gestalte in zijn betrokkenheid bij post-abortuspastoraat (onder meer binnen Rachel’s Vineyard), waar morele verantwoordelijkheid, psychische kwetsbaarheid en geestelijke genezing integraal worden benaderd. Zijn arbeidstherapeutische en psychosociale achtergrond voedt een praktijkgerichte theologie, waarin betekenisvol handelen, ritme en liturgische symboliek bijdragen aan innerlijke integratie.

Geudens verstaat het priesterschap als sacramentele aanwezigheid bij het mysterie van het leven: niet gericht op slogans of polarisatie, maar op het openen van ruimte voor waarheid die geneest en het leven beschermt.

Smakt, 28-1-2026 ((op de verjaardag van Miranda Sweelssen))